Martijn Moes

Opinie

Moet de accountancy stoppen met het verheerlijken van overwerken?

Opinie | Moet de accountancy stoppen met het verheerlijken van overwerken?

Binnen de accountancy bestaan veel ongeschreven regels. Niemand leert ze tijdens de studie en je zult ze ook niet snel terugvinden in een personeelshandboek. Toch weet vrijwel iedere accountant dat ze bestaan. Eén van die regels lijkt te zijn dat een volle agenda wordt gezien als iets positiefs. Wie een volle agenda heeft, veel verantwoordelijkheden draagt en regelmatig lange dagen maakt, wordt al snel gezien als betrokken, ambitieus en toegewijd aan het vak.

Dat is op zichzelf niet vreemd. Accountancy is een sector waarin kwaliteit onder druk van deadlines moet worden geleverd. Interim-controles, jaarrekeningcontroles en piekperiodes (het zogenoemde ‘busy season’) vragen soms om extra inspanningen. De meeste accountants begrijpen dat en hebben er ook geen moeite mee om af en toe een stap extra te zetten wanneer dat nodig is.

Toch bekruipt mij steeds vaker de vraag of we als sector niet zijn doorgeschoten in de manier waarop we naar overwerken kijken. Niet omdat overwerken nooit nodig zou zijn, maar omdat het soms lijkt alsof we het zijn gaan beschouwen als een bewijs van professionaliteit. Alsof lange werkdagen automatisch iets zeggen over betrokkenheid, kwaliteit of ambitie. En juist die gedachte verdient volgens mij meer aandacht.

Van tijdelijke oplossing naar cultureel ideaal

Overwerken is oorspronkelijk bedoeld als oplossing voor een tijdelijke situatie. Er ontstaat onverwacht extra werk, een deadline komt dichterbij dan gepland of een klant levert informatie later aan dan afgesproken. In zulke situaties kan een extra inspanning logisch en soms zelfs noodzakelijk zijn.

Het probleem ontstaat wanneer uitzonderingen langzaam de norm worden.

In veel organisaties wordt overwerken niet expliciet verwacht, maar wel impliciet gewaardeerd. Binnen de accountancy verschilt dit overigens per type kantoor. Bij sommige kantoren, met name grotere en internationaal georiënteerde organisaties, lijken lange werkdagen tijdens drukke periodes bijna onderdeel van de beroepstrots. Bij andere kantoren ligt de nadruk meer op een gezonde balans tussen werk en privé. Toch is de waardering voor drukte overal herkenbaar. De medewerker die structureel laat doorwerkt valt op. De collega die om tien uur ’s avonds nog reageert op e-mails wordt gezien als betrokken. De accountant die vertelt dat hij de afgelopen weken nauwelijks vrije tijd heeft gehad, krijgt begrip en vaak ook waardering.

Daarmee ontstaat ongemerkt een interessant mechanisme. Niet alleen de kwaliteit van het werk wordt zichtbaar, maar ook de hoeveelheid tijd die eraan wordt besteed. En omdat tijd zichtbaar is, ontstaat het risico dat we daar meer waarde aan toekennen dan terecht is.

Verwarren we inzet met aanwezigheid?

Wanneer iemand lange dagen maakt, zien we iets tastbaars. We zien aanwezigheid. We zien activiteit. We zien inspanning. Het geeft een gevoel van toewijding.

.

Een accountant die twaalf uur werkt, voegt niet automatisch meer waarde toe dan een accountant die hetzelfde resultaat bereikt in acht uur. Sterker nog, in een beroep dat draait om professioneel-kritische oordeelsvorming kan efficiëntie juist een belangrijke kwaliteit zijn.

Toch hebben veel organisaties moeite om effectiviteit zichtbaar te maken. Het is immers eenvoudiger om te zien wie er nog op kantoor zit dan om te beoordelen wie het beste risico-oordeel heeft gevormd. Het is makkelijker om uren te meten dan om kwaliteit te meten. Daardoor ontstaat het gevaar dat zichtbare inspanning wordt beloond, terwijl minder zichtbare kwaliteiten onderbelicht blijven.

Dat is niet alleen een organisatorisch vraagstuk, maar ook een cultureel vraagstuk.

Welke boodschap geven we af aan starters?

Voor studenten en jonge professionals is die cultuur misschien nog wel belangrijker dan voor ervaren collega’s.

Starters leren namelijk niet alleen van trainingen, beoordelingsformulieren en vaktechnische opleidingen. Ze leren vooral door te observeren. Ze kijken naar de mensen die succesvol zijn binnen de organisatie en proberen te begrijpen welk gedrag wordt gewaardeerd.

Wanneer zij zien dat lange werkdagen bewondering oproepen, trekken zij daar logische conclusies uit. Ze gaan geloven dat succes samenhangt met altijd beschikbaar zijn. Dat betrokkenheid wordt aangetoond door veel uren te maken. Dat vroeg naar huis gaan een teken is van onvoldoende ambitie.

Het probleem is dat deze overtuigingen vaak jarenlang blijven hangen: dit creëert een norm.

Daardoor ontstaat een generatie professionals die niet alleen hard werkt, maar zich soms zelfs schuldig voelt wanneer zij niet aan het werk is. Niet omdat de werkzaamheden daarom vragen, maar omdat de cultuur de indruk wekt dat dit is wat van een succesvolle accountant wordt verwacht.

De vraag is of dat werkelijk het signaal is dat wij als sector willen afgeven.

Kwaliteit vraagt om scherpte, niet om uitputting

Opvallend genoeg wordt de discussie over overwerken vaak gevoerd vanuit het perspectief van welzijn en werk-privébalans. Dat zijn belangrijke onderwerpen, maar volgens mij missen we daarmee een minstens zo relevant argument.

Overwerken raakt namelijk ook de kwaliteit van ons werk.

Accountancy draait niet om fysieke productie. Het is geen lopende band waarbij meer uren automatisch leiden tot meer output. De kern van ons werk bestaat uit analyseren, beoordelen, interpreteren en het vormen van professionele oordelen. Dat zijn activiteiten die vragen om concentratie, kritisch denkvermogen en scherpte.

Niemand zal serieus beweren dat mensen betere beslissingen nemen wanneer ze vermoeid zijn. Niemand gelooft dat professioneel-kritische instelling toeneemt na dagen of weken van structureel overwerken. Toch accepteren we soms omstandigheden die precies dat risico vergroten. Dat is opmerkelijk voor een sector die kwaliteit en publieke verantwoordelijkheid zo hoog in het vaandel heeft staan. Wanneer kwaliteit werkelijk centraal staat, dan moeten we ook durven erkennen dat voldoende rust, herstel en focus geen luxe zijn, maar randvoorwaarden voor goed werk.

Misschien bewonderen we de verkeerde dingen

Misschien ligt daar wel een belangrijke kans voor de accountancysector. Niet omdat we minder ambitieus zouden moeten worden, maar omdat we opnieuw kunnen nadenken over wat we precies waarderen en belonen. Op dit moment lijkt het soms alsof zichtbare drukte een belangrijke maatstaf is geworden voor betrokkenheid. Wie veel uren maakt, wordt gezien als toegewijd. Wie structureel overwerkt, toont commitment. Maar de vraag is of dat ook daadwerkelijk de eigenschappen zijn die een organisatie op de lange termijn sterker maken.

Wanneer we kijken naar de collega’s die een blijvende positieve impact hebben op een team of organisatie, zijn dat lang niet altijd de mensen die de meeste uren maken. Vaak zijn het juist de professionals die verwachtingen tijdig weten te managen, risico’s vroeg signaleren en werkzaamheden op een slimme manier organiseren. Een manager die een opdracht realistisch plant en daardoor voorkomt dat een heel team wekenlang onder druk staat, levert misschien minder zichtbaar werk dan iemand die structureel avonden doorwerkt, maar de toegevoegde waarde van die manager is niet minder groot. Hetzelfde geldt voor de senior die investeert in een goede dossieropbouw aan het begin van een opdracht, waardoor herstelwerkzaamheden en discussies aan het einde van het proces worden voorkomen.

Ook accountants die actief investeren in de ontwikkeling van collega’s, kennis delen binnen het team of risico’s tijdig onder de aandacht brengen, leveren vaak een bijdrage die verder reikt dan de opdracht van dat moment. Dat soort prestaties valt minder op dan een werkweek van zestig uur, maar draagt waarschijnlijk veel meer bij aan de kwaliteit van het werk, het werkplezier binnen teams en de duurzaamheid van de organisatie als geheel.

Juist daarom zou het goed zijn als we als sector vaker stilstaan bij de vraag welke prestaties we bewonderenswaardig vinden. Want wanneer zichtbare drukte consequent meer waardering krijgt dan kwaliteit, samenwerking of efficiëntie, ontstaat vanzelf het beeld dat lange werkdagen een voorwaarde zijn voor succes. En dat is een boodschap die niet alleen onjuist is, maar ook schadelijk kan zijn voor de toekomst van het vak.

De echte vraag

Daarmee komen we bij de kern van de discussie. De vraag is uiteindelijk niet of overwerken goed of slecht is. De werkelijke vraag is of we binnen de accountancy de juiste dingen waarderen. Meten we betrokkenheid aan het aantal gewerkte uren, of aan de kwaliteit van het werk, het professionele oordeel en de waarde die iemand toevoegt voor klanten en collega’s?

Zolang succes impliciet wordt gekoppeld aan het aantal gewerkte uren, zullen lange werkdagen bewondering blijven oproepen. In dat geval blijft het logisch dat medewerkers zich bewijzen door altijd beschikbaar te zijn, snel op e-mails te reageren en regelmatig over te werken. Het aantal uren wordt dan een zichtbaar symbool van betrokkenheid en ambitie.

Maar wanneer succes wordt gedefinieerd aan de hand van kwaliteit, professioneel oordeel, samenwerking, klantwaarde en duurzame inzetbaarheid, ontstaat een heel ander perspectief. Dan verschuift de aandacht van aanwezigheid naar toegevoegde waarde. Dan wordt niet langer gekeken naar wie het laatst het kantoor verlaat, maar naar wie de grootste bijdrage levert aan een kwalitatief goede controle, een tevreden klant of een sterk team.

In zo’n omgeving kan overwerken nog steeds voorkomen. Er zullen altijd situaties blijven bestaan waarin een deadline een extra inspanning vraagt. Het verschil is echter dat overwerken dan wordt gezien als een tijdelijke noodzaak en niet als een eigenschap die bewondering verdient. Het is dan een middel om een doel te bereiken, niet een doel op zichzelf.

Conclusie

De accountancy hoeft niet te stoppen met hard werken. Dat zou ook een onrealistisch uitgangspunt zijn voor een beroep dat werkt met wettelijke deadlines, maatschappelijke verantwoordelijkheid en hoge kwaliteitseisen. Drukke periodes zullen altijd onderdeel blijven van het vak en soms zal een extra inspanning noodzakelijk zijn om die verantwoordelijkheid waar te maken.

Tegelijkertijd betekent dat niet dat overwerken een maatstaf voor professionaliteit zou moeten zijn. Het aantal gewerkte uren zegt immers weinig over de kwaliteit van het werk dat wordt geleverd. Een lange werkweek maakt iemand niet automatisch een betere accountant, net zoals een korte werkweek niet automatisch betekent dat iemand minder betrokken is. Uiteindelijk wordt de waarde van een accountant bepaald door de kwaliteit van zijn oordeelsvorming, de betrouwbaarheid van zijn werkzaamheden en de impact die hij heeft op klanten, collega’s en de samenleving.

Wanneer we als sector structureel bewondering blijven uitspreken voor lange werkdagen, lopen we het risico aanwezigheid te verwarren met prestaties. Daarmee richten we onze aandacht op iets wat vooral zichtbaar is, terwijl de werkelijk waardevolle eigenschappen vaak minder gemakkelijk waarneembaar zijn. Kwaliteit, efficiëntie, samenwerking en professioneel oordeel laten zich immers veel moeilijker meten dan het aantal gewerkte uren.

Misschien is het daarom tijd om het gesprek anders te voeren. Niet door te vragen hoeveel uur iemand heeft gewerkt, maar door te kijken naar wat er in die uren is bereikt. Niet door de accountant te bewonderen die het langst aanwezig is, maar door waardering te hebben voor degene die duurzame kwaliteit levert, collega’s verder helpt en daadwerkelijk waarde toevoegt.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *