Jody van Schaik
Opinie
Werkdruk: we houden zelf het gaspedaal ingedrukt
Een accountantskantoor is soms net een auto waarin iedereen tegelijk aan het stuur wil zitten. De één trapt het gaspedaal in omdat de deadline dichterbij komt, de ander remt omdat het risico te groot wordt en achterin roept iemand dat we eigenlijk al tien minuten te laat zijn. Niemand heeft slechte bedoelingen, iedereen wil vooruit. Maar met zoveel handen aan het stuur wordt de rit er niet bepaald rustiger op. Die voortdurende druk om tegelijk snel, zorgvuldig en aan ieders verwachtingen te voldoen, is tekenend voor de werkdruk in de accountancysector. En hoe hoger die druk oploopt, hoe groter de kans dat we onderweg iets over het hoofd zien.
De werkdruk in de accountancy is inmiddels geen incident meer. We praten er al jaren over: piekbelasting, personeelstekorten en de vraag hoe we het vak aantrekkelijk houden. We investeren in automatisering, efficiëntere processen en vitaliteitsprogramma’s en steeds vaker kijken we naar AI alsof die misschien wel het antwoord op alles is.
Allemaal begrijpelijk. Soms vraag ik me echter af of we daarmee niet vooral proberen de bestuurder beter te leren rijden, terwijl we ondertussen vergeten te kijken naar waarom er zoveel mensen tegelijk aan het stuur zitten.
Als goede eigenschappen tegen ons gaan werken
Misschien zit een deel van het probleem niet alleen in de hoeveelheid werk, maar ook in de manier waarop we ermee omgaan. We hebben nu eenmaal allerlei drijfveren die onze keuzes beïnvloeden, vaak zonder dat we het zelf merken. En juist die drijfveren kunnen elkaar onderweg behoorlijk versterken: de behoefte om kwaliteit te leveren, om controle te houden, om te presteren en om vooral niet degene te zijn die een keer ‘nee’ zegt.
We willen het graag goed doen, sterker nog: we willen het écht goed doen. Kwaliteit is tenslotte onze kracht. Maar ergens tussen ‘goed werk leveren’ en ‘het moet perfect’ ligt een grens die we niet altijd meer zien. Voor je het weet, heeft perfectionisme het stuur ongemerkt overgenomen en werken we een uur langer aan iets dat morgen ook had gekund.
Daar komt onze behoefte aan controle bij. We werken tenslotte in een vak waarin zekerheid, onderbouwing en risico’s centraal staan. Dus controleren we nog een keer, en als het nodig is nog een keer. We willen grip op het dossier, op de planning en als het even kan ook op het onvoorspelbare.
Dan is er de druk om te presteren: ambitieus zijn, de klant goed bedienen, onze uren maken, deadlines halen en vooral laten zien dat we het allemaal aankunnen. Wanneer een collega vervolgens vraagt of we nog even iets kunnen oppakken, zeggen we vaak ‘ja’. Niet omdat we tijd hebben, maar omdat we graag behulpzaam zijn en niemand willen teleurstellen. Ook daar speelt weer iets menselijks mee: het verlangen om gezien te worden als de collega op wie iedereen kan rekenen.
En voor je het weet, zit iedereen weer in dezelfde auto, met z’n allen aan het stuur.
Zolang we het oplossen, lijkt er niets aan de hand
Dat maakt de discussie over werkdruk zo interessant. We zijn ontzettend goed geworden in het oplossen van het probleem van vandaag: een deadline wordt gehaald door een avond langer door te werken, een collega springt bij wanneer een team onderbezet is en een klantvraag wordt toch nog even snel tussendoor gedaan.
En iedere keer lijkt het systeem te bewijzen dat het werkt. Totdat het niet meer werkt: een deadline wordt gemist, de kwaliteit komt onder druk te staan of een collega besluit dat het zo niet langer kan en verlaat de sector of valt uit.
De ongemakkelijke vraag
Daarom is het belangrijk dat we de discussie over werkdruk niet beperken tot capaciteit, planning en efficiëntie. Zolang we niet kijken naar het gedrag eronder, blijven we dweilen terwijl de kraan openstaat. We zouden dus niet alleen moeten vragen hoe we meer werk gedaan krijgen, maar we moeten ook durven vragen waarom we het zo moeilijk vinden om minder te doen. Want zolang extra capaciteit direct wordt gevuld met extra werk, verandert er onderaan de streep weinig.
Dat vraagt iets ongemakkelijks: niet alleen naar de organisatie kijken, maar ook naar onszelf en naar de stemmetjes die ons vertellen dat het nog beter kan, dat we nog wel even door kunnen en dat we niemand mogen teleurstellen. Misschien is dat wel het lastigste: erkennen dat we soms zelf meewerken aan de druk waarover we klagen.
Niet iedereen hoeft aan het stuur
De werkdruk wordt niet alleen veroorzaakt door te veel werk. Hij wordt ook veroorzaakt door te veel willen. Natuurlijk hoeven we die verschillende drijfveren niet uit te schakelen. Ambitie, kwaliteit, controle en betrokkenheid maken ons goed in ons vak en mogen mee in de auto. Maar we moeten ze niet allemaal tegelijk aan het stuur laten zitten.
Want uiteindelijk is het niet de vraag hoe hard we kunnen rijden, maar of we onderweg nog iemand achter het stuur hebben die daadwerkelijk de eindbestemming haalt.


Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!