Is it the face that makes the man, or the man that makes the face?

To avoid bad days, financial traders should watch their testosterone levels’, kopte The Economist een klein jaar nadat de kredietcrisis was aangevangen. Het was een periode waarin overmoedigheid in de financiële sector resulteerde in grote problemen. Maar had het iets met testosteron te maken?

De aanwezigheid van testosteron is goed. Maar alles wat ‘te veel’ is, is slecht. En dan leidt testosteron tot roekeloosheid, agressie en zelfs fraude. Maar kan er een verband worden gelegd tussen bepaalde handelingen door een teveel aan testosteron? Zijn conclusies hierover wel moreel aanvaardbaar en maatschappelijk verantwoord? 

Onderzoek heeft uitgewezen dat testosteron is af te lezen aan gezichtskenmerken en is gekoppeld aan negatieve gedragingen. Deze meetmethode, de ‘facial width to height ratio’ (fWHR), deelt de afstand tussen jukbeenderen door de afstand tussen bovenlip en middelpunt wenkbrauw. Een hoge ratio wijst op een hoger testosteronniveau.fWHR

Of er voldoende grond is om te kunnen stellen dat uiterlijke kenmerken gerelateerd kunnen worden aan negatieve gedragingen zoals fraude, trek ik in twijfel. Diverse onderzoeken laten zien dat gezichtsverhoudingen slechte en zwakke voorspellers zijn van negatieve gedragskenmerken. Andere factoren die mogelijk van invloed kunnen zijn, worden niet altijd nader geanalyseerd. Jia, Van Lent & Zeng (2014) stellen bijvoorbeeld dat CEO’s met ‘hogere’ fWHR eerder frauderen en manipuleren. Alhoewel de resultaten significant zijn , is de individuele verklarende kracht ervan zeer beperkt. De betrouwbaarheid van de meetmethode fWHR kent ook leemtes. Testosteronniveau kan gedurende een dag namelijk schommelen. Gezichtsverhoudingen echter niet. De robuustheid van de resultaten moet dus nogal voorzichtig worden opgevat om generaliseren te voorkomen.

Stigmatiserend is het wanneer geconcludeerd wordt dat testosteron verband houdt met negatieve gedragingen, zeker als deze bewering niet gebaseerd is op voldoende wetenschappelijk bewijs. Een en ander doet denken aan nazi’s die op grond van schedelmetingen dachten te kunnen bepalen wie ‘goed’ was en wie ‘slecht’. Zo geredeneerd kunnen vrouwen nooit frauderen, omdat zij genetisch beschouwd een te laag testosteronniveau hebben om überhaupt te kunnen frauderen. Dat zou een mooie conclusie zijn, ware het niet dat de realiteit anders uitwijst.

Wanneer uiterlijke kenmerken inderdaad een aanknopingspunt kunnen vormen voor verwachte negatieve gedragingen, betekent dit dat men in het bedrijfsleven met deze kennis rekening zou kunnen houden. Alleen personen met de gewenste gezichtskenmerken passen dan binnen de gestelde kaders. Maar komen daarmee de beste mensen op de juiste plaats? Betekent deze conclusie dat mannen met bepaalde gezichtskenmerken gemeden dienen te worden? Betekent dit dan dat vrouwen de boventoon moeten voeren in het bedrijfsleven doordat ze minder testosteron produceren en ‘dus’ minder kans hebben om fouten te maken? Is het wel wenselijk conclusies te trekken op basis van deze ongenuanceerde veronderstellingen? Wie het weet mag het zeggen.

Deze opinie is gebaseerd op het gelijknamige essay waarmee Joekie Sin deelneemt aan de Nyenrode Essayprijs 2015. Voor de essayprijs zijn zes studenten genomineerd die een goed beoordeelde masterscriptie hebben geschreven met een onderwerp dat maatschappelijk interessant en relevant is. Het essay en de bijbehorende literatuurlijst worden opgenomen in de Essaybundel die januari 2016 zal verschijnen. Dan zal ook de prijs voor het beste essay worden uitgereikt.


Gebruikers die dit bericht leuk vinden:

  • Nathan Eekhout
  • Renske Siskens
Meer lezen Onderwerp insturen Aanmelden nieuwsbrief

Geef een reactie

Your email address will not be published.

Uw email zal niet zichtbaar op de site zijn.